Inleiding
De mogelijkheden van immunodiagnostiek in het laboratorium zijn uitgebreid (Tabel 1.3-1). Laboratoriumtests zijn nuttig voor het aantonen van ontstekingsactiviteit, ter ondersteuning van de diagnose, voor het meten van ziekteactiviteit, voor het voorspellen van prognose en voor het monitoren van respons op therapie. Het aanvragen van tests en beoordeling van de resultaten moeten echter zorgvuldig gebeuren. Virale en bacteriële infecties kunnen bijvoorbeeld fout-positieve uitslagen geven, zodat antistofbepalingen geen zin hebben bij kortdurende klachten. Vooral de aanwezigheid van ANA en IgM-RF kan aspecifiek en tijdelijk zijn. Bij systemische auto-immuunziekten zijn meerdere orgaansystemen aangedaan, maar orgaanspecifieke autoantistoffen, zoals die bijvoorbeeld wel worden gevonden bij auto-immuunhypothyreoïdie, ontbreken. Systemische auto-immuunziekten worden juist gekenmerkt door autoantistoffen tegen niet-orgaanspecifieke antigenen.
Een speciale plaats wordt ingenomen door de auto-inflammatoire aandoeningen, soms geassocieerd met lokale, maar vaker met systemische ontstekingsactiviteit die zich onder andere uit in periodieke koorts. Hierbij worden per definitie geen autoantistoffen aangetroffen. In sommige gevallen is gendiagnostiek mogelijk (zie hoofdstuk 1.5 en 5.1). Naast de bepaling van autoantistoffen kunnen ook die van immunoglobulinen, complementfactoren, en antigenen van het humane leukocyten antigeen (HLA)-systeem informatief zijn. In kinderreumatologische setting worden soms ook andere aanvullende bepalingen ingezet, zie hiervoor de laatste paragraaf van dit hoofdstuk.
Bij alle bepalingen wordt globaal aangegeven wat zinvolle indicaties kunnen zijn om de test in te zetten. Voor meer details wordt verwezen naar de hoofdstukken betreffende de specifieke ziektebeelden.
Tot slot dient in het algemeen te worden opgemerkt dat immunodiagnostiek alleen behulpzaam is bij een klinische verdenking op een auto-immuunziekte. Het dient niet om ziekten aan te tonen, danwel uit te sluiten.
Tabel 1.3-1 Mogelijkheden voor immunodiagnostiek bij (verdenking op) een auto-immuunziekte
| Bepaling | Betekenis |
|---|---|
|
ANA Anti-CCP Anti-dsDNA Anti-ENA APL ANCA RF IgA, IgD, IgE, IgG, IgM C3, C4, C1q, MBL HLA-B27, -B51, -DQ2/8, -DR4 |
Antinucleaire antistoffen Antistoffen tegen gecitrullineerde eiwitten Antistoffen tegen dubbelstrengs-DNA Antistoffen tegen extraheerbare kernantigenen Antistoffen tegen fosfolipiden Antistoffen tegen neutrofiel cytoplasma Antistoffen tegen IgG (reumafactor) Immunoglobulinen Complementfactoren Allelen van het HLA-systeem |