Immunoglobulinen

De bepaling van immunoglobulinespiegels in het serum heeft bij de diagnostiek naar auto-immuunziekten een beperkte rol. Het kan soms wel richting geven aan de differentiaal diagnose.

Bij auto-immuunziekten, mogelijk met uitzondering van oligoarticulaire JIA, is het serum IgG vrijwel altijd verhoogd als uiting van de ‘immuunactivatie’. Een laag IgG kan wijzen op een onderliggende immuundeficiëntie, zoals CVID (Common Variable Immunodeficiency Disorder), waarbij ook auto-immuun manifestaties kunnen voorkomen. Dit verdient altijd nader onderzoek. Ook kan IgG verlaagd zijn bij ernstige proteïnurie, zoals bij lupus nefritis.

Een verlaagd IgA kan wijzen op een IgA deficiëntie. Dit is de meest voorkomende primaire immuundeficientië en van alle primaire immuundeficiënties het vaakst geassocieerd met een auto-immuunziekte: 25-32%. Een IgA deficiëntie verloopt vaak asymptomatisch en wordt dan bij toeval ontdekt.

Lange tijd werd beschreven dat IgA waarden bij JIA vaak verlaagd zijn, maar dit is in de meest recente studies niet aangetoond. Er is dus wel een verhoogd risico op JIA of andere auto-immuunziekte bij IgA deficiëntie, maar andersom geldt niet dat IgA levels bij JIA vaak verlaagd zijn. Een verhoogd IgA kan daarentegen worden gevonden bij ongeveer een derde van de kinderen met IgA vasculitis.

Bij het hyper IgD-syndroom kunnen hoge spiegels IgD worden aangetroffen, een immunoglobulineklasse die bij gezonden niet of nauwelijks aantoonbaar is. De bepaling van IgD heeft echter een beperkte rol: bij verdenking op hyper IgD syndroom is genetische diagnostiek aanbevolen.

Een verhoogd totaal IgE kan onder andere worden gevonden bij allergie/atopie, het hyper IgE syndroom of het hypereosinofiel syndroom, maar dit valt buiten het spectrum van dit werkboek.