Antistoffen tegen extraheerbare kernantigenen*
Hoewel de ANA test een hoge sensitiviteit heeft om autoantistoffen te detecteren, betreft het enkel een screening op de aanwezigheid van antinucleaire antistoffen en kan er nog geen conclusie getrokken worden over de antigene specificiteit. De antinucleaire antistoffen kunnen immers binden aan een scala aan antigenen in de celkern en met de ANA test is niet exact vast te stellen tegen welk antigeen de antistof gericht is. Doorgaans wordt een positieve ANA test gevolgd door een specifieke test om de antinucleaire antistoffen verder te karakteriseren. Hiervoor wordt aanvullend onderzoek gedaan naar de antistoffen tegen dubbelstrengs DNA (dsDNA) en tegen een aantal andere antigenen, de zogenoemde extraheerbare nucleaire antigenen (ENA). Veel ENA worden aangeduid met de eerste letters van de naam van de patiënt van wie het serum met het betreffende antigeen reageerde (Sm, Jo, Ro, La, etc.) of met een afkorting van het geassocieerde ziektebeeld (SS: Sjögrensyndroom, PM: polymyositis). Elke specifieke antistof kan geassocieerd zijn met bepaalde systemische auto-immuunziekten. De aanwezigheid van hoge titer antistoffen tegen ribonucleoproteïne (RNP) is bijvoorbeeld sterk geassocieerd met MCTD, maar anti-RNP komt ook voor bij SLE. Anti-Sm antistoffen zijn daarentegen heel specifiek voor SLE, maar hebben een relatief lage sensitiviteit. Antistoffen tegen SS-A (ook wel Ro genoemd) zijn geassocieerd met het Sjögrensyndroom, maar komen ook voor bij SLE. Maternale SS-A antistoffen zijn geassocieerd met het neonatale lupus syndroom, dat gepaard kan gaan met congenitaal hartblok (zie ook hoofdstuk 4.4 – neonatale LE). Tabel 1.3-3 geeft een overzicht van de belangrijkste extraheerbare nucleaire antigenen waartegen ANA zich richten en de associatie met bepaalde systemische auto-immuunziekten.
In een deel van de laboratoria in Nederland wordt een anti-ENA screen als startpunt gebruikt bij een verdenking op een ANA-geassocieerde auto-immuunziekte. Deels gebeurt dit omdat de ANA test arbeidsintensief, subjectief en expertise-afhankelijk is. Door de anti-ENA screen als startpunt te gebruiken gaat een deel van de ANA sensitiviteit verloren, omdat alleen de antistoffen tegen antigenen kunnen worden aangetoond die in het panel zitten. Verder zijn niet voor alle antigenen testen beschikbaar en is de antigene specificiteit van diverse ANA tot op heden bovendien nog onbekend. Bijvoorbeeld in het geval van jeugdreuma (JIA) en auto-immuun hepatitis (AIH) kan de ANA positief zijn zonder bekende specificiteit. Een anti-ENA screen kan dus negatief uitvallen bij een positieve ANA.