Follow-up
Hematologisch onderzoek. Bij kinderen met JIA is routinematig hematologisch
onderzoek alleen zinvol als controle op bijwerkingen van medicatie. Als er sprake is van langdurige ziekteactiviteit, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van anemie door een combinatie van factoren (minder intake, anemie door chronische ontsteking, verlies). Bij systemische JIA, systemische auto-immuunziekten en periodieke koortssyndromen is frequente controle van het bloedbeeld nodig aangezien naast anemie, namelijk ook leuko- en trombocytopenie kunnen ontstaan.
Ontstekingsparameters. Het monitoren van BSE en CRP is vooral van belang bij systemische auto-immuunziekten en systemische JIA. Vaak wordt het medicamenteuze
beleid mede bepaald door de bloeduitslagen, die ook de mate van ziekte-activiteit reflecteren. Deze patiënten gebruiken veelal immunosuppressieve medicatie.
Bij sommige patiënten met niet-systemische JIA is er wel een reflectie te zien van CRP verhoging bij een relaps of bij aanhoudende ziekte-activiteit; op basis van de kliniek wordt dan gekeken of er nader onderzoek naar ziekte-activiteit dan wel naar een bijkomende infectie moet worden ingezet om een behandelstrategie te bepalen.
Biochemisch onderzoek. Routinecontrole van leverparameters, nierfunctie en eventueel
elektrolyten is van belang bij de follow-up van aandoeningen die ook andere
organen kunnen aantasten en als controle op mogelijke bijwerkingen door medicatie. Bij het gebruik van tocilzumab (anti-IL6) en tofacitinib (JAK remmers) ontstaan er vaak afwijkingen in het lipiden spectrum, ook deze worden met tussenpozen gevolgd. Afhankelijk van de gebruikte immunosuppressieve medicatie: glucocorticosteroïden, DMARDs, biologicals, JAK-remmers of combinaties daarvan, wordt aan de hand van richtlijnen en eerdere reacties van de patiënt de aard en frequente van laboratorium controles bepaald.
Bijwerkingen medicatie Alle medicamenten kunnen bijwerkingen veroorzaken en lang niet altijd vallen deze de patiënt of de ouders op. Voor een goede begeleiding van de medicamenteuze
behandeling is naast zorgvuldig navragen regelmatig bloedonderzoek onmisbaar. Aard en frequentie verschillen per geneesmiddel en hangen af van de door de patiënt gebruikte combinatie en individuele reactie op de geneesmiddelen.
Prostaglandinesynthetaseremmers (NSAIDs) kunnen zowel de leverfunctie als
nierfunctie beïnvloeden en interferen met andere medicatie.
De meeste in de tweede lijn gebruikte anti-reumatica kunnen naast stoornissen van leverfunctie en nierfunctie ook beenmergaplasie en cytopenie veroorzaken (zij het uiterst zelden). Veel van de gebruikte medicatie bij de behandeling van kinderen met JIA en (systemische) auto-immuunziekten is immunosuppressief hetgeen betekent dat patiënten gevoeliger zijn voor infecties en deze ook langer aan kunnen houden of makkelijker leiden tot complicaties zoals het fulminanter beloop van een waterpokken infectie tijdens methotrexaat gebruik.
Ook kan het gebruik van immunosuppressieve medicatie leiden tot een veranderde reactie op vaccinaties en mogen bepaalde (verzwakt levende) vaccins niet gegevens worden tijdens immunosuppressie; zie hiervoor hoofdstuk 7.2.
Meer informatie over laboratoriumcontroles tijdens JIA behandeling en het toedienen van vaccinaties tijdens het gebruik van immunosuppressiva is te vinden in de richtlijn medicamenteuze behandeling bij JIA (htps:///richtlijnendatabase.nl/richtlijn/juveniele_idiopathische_artritis_jia).