Hoofdstuk 12 – Aangeboren gastro-intestinale afwijkingen

Werkboek Kinder-MDL › Hoofdstuk 12 – Aangeboren gastro-intestinale afwijkingen

Hoofdstuk 12

Aangeboren gastro-intestinale afwijkingen

Marieke Witvliet en Pim Sloots

Inleiding

Aangeboren gastro-intestinale afwijkingen worden gezien in de vorm van stenosering of obstructie van het maag-darmkanaal. Bij een atresie is de afsluiting volledig en kan zelfs een darmsegment met het bijbehorende mesenterium ontbreken. Bij een stenose bestaat er een partiële obstructie van een korter of langer darmsegment. Bij een duplicatuur is een segment van het maag-darmkanaal dubbel aangelegd. Obstructie kan ook worden veroorzaakt door aanlegstoornissen van componenten van de darmwand (pseudo-obstructiesyndromen, ziekte van Hirschsprung) of door ingedikte meconium (meconiumileus bij CF).

Pathofysiologie

Er wordt gedacht dat darmatresie van jejunum en/of ileum ontstaan door antenatale vasculaire accidenten. Afsluitingen in het mesenteriale vaatbed veroorzaakt ischemie en afsterving van dat betreffende darmgedeelte. Het effect varieert

van fibrosering tot volledig ontbreken van darmsegmenten en het bijbehorend

mesenterium. Bij duodenumatresie wordt gedacht dat een rekanalisatiestoornis

van het darmlumen leidt tot het ontstaan van een web of een atresie. Duodenumatresie is geassocieerd met Down syndroom in 30%.

Bij een slokdarmatresie en een anorectale malformatie is de oorzaak multifactorieel, dit zijn meer complexe aanlegstoornissen; een combinatie tussen omgevingsfactoren en genetische factoren zijn mogelijk de oorzaak. Zowel oesofagusatresie als anorectale malformatie komen voor in combinatie met andere afwijkingen binnen de VACTERL-associatie, een acroniem voor Vertebra, Anorectale malformatie, Cardiale afwijkingen, Tracheo-oEsofagale

fistel, Renale afwijkingen en Ledemaatafwijkingen.

Genetische aspecten

Bij aangeboren afwijkingen van het maag-darmkanaal kan

klinisch-genetische consultatie inzicht geven in de oorzaak danwel een onderliggend syndroom. Bijvoorbeeld, bij 30% van de kinderen met duodenumatresie is sprake van downsyndroom. Complexe afwijkingen als slokdarmatresie en de anorectale malformatie komen voor als onderdeel van (familiaire) syndromale afwijkingen. Van enkele syndromen

is inmiddels het gendefect bekend. Het gen van het Currarino syndroom, dat

wordt gekenmerkt door de trias afwijkend sacrum, presacrale massa en anorectale

malformatie, ligt op chromosoom 7q (HLXB9-gen of ook wel MNX1-gen); bij de ziekte van Hirschsprung wordt er in circa 30% van de gevallen een mutatie in het RET-proto-oncogen op chromosoom 10 gevonden. De ziekte van Hirschsprung, net als anorectale malformatie is geassocieerd met het syndroom van Down.

Klinische bevindingen

Antenataal kan een gastrointestinale obstructie worden gezien als een polyhydramnion (oesofagusatresie, duodenumatresie) of als een double-bubble (duodenumatresie) danwel als een distente darm of hyperechogene darm (bij jejunum of ileum atresie danwel meconiumileus). Darmperforatie leidt antenataal tot chemische (meconium)peritonitis, postnataal tot bacteriële peritonitis. Bij een afgedekte perforatie ontstaat een pseudocyste.

Steeds vaker wordt er bij de antenatale onderzoeken naar de anus gekeken voor aanwezigheid van het target sign.

De symptomen na geboorte zijn afhankelijk van het niveau van de obstructie. Bij een oesophagusatresie gaat de pasgeborene spugen en bellen blazen omdat het speeksel niet weg kan, bij een duodenumatresie zal de baby helder of gallig spugen afhankelijk van of de atresie voor of na de papil van Vater zit. Een obstructie in jejunum of proximale ileum leidt tot gallig braken. Er wordt slechts weinig meconium geproduceerd, soms met slechts weinig pigment, en de buik is matig opgezet. Bij een lage obstructie (terminale ileum, colon of rectum) is de afvloed uit het reservoir van dunne en dikke darm belemmerd en staat uitblijven van het eerste meconium op de voorgrond. De buik is sterk opgezet en de

flanken zijn uitgezet. Ook als de voeding moeilijk verloopt en het kind spuugt,

staat gallig braken niet op de voorgrond. Complicaties als enterocolitis, volvulus

en perforatie uiten zich als acute buik of sepsis.

Diagnostiek

Een stroomschema voor de beeldvormende diagnostiek bij vermoeden van

obstructie wordt gegeven in Figuur 1. Als eerste wordt een liggende buikoverzichtsrontgenfoto (X-BOZ) gemaakt.

De lucht in het maag-darmkanaal dient als contrast; de uitzetting van

darmlissen en de luchtverdeling kunnen informatie geven over de plaats van

de obstructie. Calcificaties wijzen op meconiumperitonitis. Bij vermoeden van

vloeistofspiegels of vrije lucht in de buikholte wordt een liggende foto gemaakt

met horizontale stralengang. Bij vermoeden van malrotatie worden maag-duodenumfoto’s

gemaakt.

Bij obstructie van het distale maag-darmkanaal wordt eventueel een coloninloop

gemaakt. Differentiaaldiagnostisch moet men denken aan meconiumileus

en het meconiumplugsyndroom, met als mogelijke oorzaken CF en

de ziekte van Hirschsprung (Figuur 2). Ook bij meconiumperitonitis moet

diagnostiek worden ingezet naar CF. Een small left colon komt relatief vaak voor bij kinderen

van diabetische moeders.

Slokdarmatresie

Bij slokdarmatresie sluiten het proximale en het distale gedeelte van de slokdarm

niet op elkaar aan. Bij slokdarmatresie bestaat meestal ook een tracheooesofageale

fistel. De aandoening komt voor bij ongeveer 1 : 4000 levendgeborenen.

De H-fistel en de congenitale slokdarmstenose vallen ook onder deze

problematiek, al ontbreekt daarbij de atresie. Er worden zes typen slokdarmatresie

onderscheiden (Figuur 3). Bij type A ontbreekt de fistel, bij type B

loopt er een fistel naar het proximale deel en bij type C naar het distale deel van de slokdarm, bij type D zijn beide fistels aanwezig, bij type E is er wel een

fistel maar ontbreekt de atresie (‘H-fistel’) en bij type F (niet afgebeeld) bestaat

alleen een congenitale stenose van de slokdarm. Type C komt het vaakst voor

(85%), gevolgd door type A (8 à 10%).

Klinische bevindingen. Meestal bestaan er al direct na de geboorte problemen

met de speekselpassage (‘bellen blazen’) en een afwijkend ademhalingspatroon.

Door de aspiratie van voeding kunnen luchtwegproblemen ontstaan.

Bij de H-fistel staan de recidiverende luchtwegproblemen voorop; de diagnose

kan lang worden gemist. De congenitale slokdarmstenose leidt meestal pas tot passageproblemen

als met bijvoeding wordt gestart.

Diagnostiek. Als na inbrengen van een dikke maagsonde een thoraxfoto wordt

gemaakt, ziet men de sonde opgekruld in het proximale, blind eindigende

slokdarmsegment liggen, hoog in het mediastinum. De X-BOZ toont bij type A

een maag-darmkanaal zonder lucht, terwijl het bij type C juist gevuld

is met lucht. Vanwege het risico op aspiratie vermijden we het maken van contrastfoto’s. Omdat een slokdarmatresie vaak onderdeel is van de VACTERL-associatie

en van een aantal andere, sporadisch voorkomende syndromen,

moet altijd onderzoek naar geassocieerde aangeboren afwijkingen worden ingezet.

Behandeling. De eerste behandeling bestaat uit het inbrengen van een dubbellumensonde

(replogle-sonde) voor het continu afzuigen van speeksel. Het

kind wordt met het hoofd iets omhoog verpleegd om aspiratie van

zure maaginhoud via de fistel te voorkomen. Er kan ook direct met een maagzuurremmer en antibiotica gestart worden ter voorkoming van problemen. Bij voorkeur wordt binnen 72 uur

een operatie verricht waarbij een anastomose tussen de proximale en distale slokdarm wordt verricht met sluiten van de fistel. Bij type A is de afstand tussen proximale en distale slokdarmsegment vaak zo groot dat direct herstel van de continuïteit niet mogelijk is. Dan zijn er meerdere technieken die gebruikt kunnen worden. Tractiedraden kunnen worden aangelegd, waarna de slokdarm langzaam op lengte gebracht wordt. Met als doel het primair aansluiten van de twee delen. Dit lukt meestal binnen 10 dgn. Of er wordt eerst een gastrostomie verricht om enterale voeding mogelijk te maken (eventueel met een halsfistel) , waarna op de leeftijd van 2 à 3 maanden, als de slokdarm dan beter te mobiliseren is, operatieve reconstructie wordt uitgevoerd.

Maagafwijkingen

Obstructie. Congenitale obstructie van de maaguitgang door atresie of door

een membraan ter hoogte van antrum of pylorus is vrij zeldzaam. Het kind

spuugt vanaf de geboorte vrijwel alle voeding uit, zonder aankleuring door gal.

De diagnose kan worden vermoed als op de X-BOZ alleen lucht zichtbaar is in de

maag. Echografie en contrastonderzoek kunnen aanvullende informatie verstrekken.

De chirurgisch behandeling bestaat uit het klieven of reseceren van

de membraan of een pylorusplastiek.

Microgastrie, waarbij de maag sterk onderontwikkeld is, is zeer zeldzaam. De

aandoening kan gecombineerd voorkomen met slokdarmatresie type A. Door

het ontbreken van de reservoirfunctie van de maag treden dumpingverschijnselen

op.

Duodenumobstructie

Obstructie van het duodenum kan worden veroorzaakt door atresie of stenose,

vaak in combinatie met pancreas annulare, en door een duodenumweb. Rotatiestoornissen

van dunne darm en colon (malrotatie) geven vergelijkbare

symptomen; het duodenum wordt dan dichtgedrukt door fibrotische strengen

die colon transversum verbinden met de lever (Laddse banden). De obstructie betreft

het tweede of derde deel van het duodenum, ter hoogte van of distaal van

de papil van Vater.

Bij een duodenumatresie resteert slechts een fibrotische streng; soms ontbreekt

een deel van het duodenum met het aanpalende mesenterium. Bij pancreas

annulare omringt de kop van het pancreas het gefibroseerde duodenum.

De afwijkingen van pancreas en duodenum ontstaan parallel. Het duodenumweb

bestaat uit een mucosamembraan, vaak met nog een kleine opening

waardoor enige passage mogelijk is. Bij malrotatie is in de embryonale periode

een verstoring opgetreden van het normale proces van rotatie en fixatie van het

darmpakket. De ernst van de afwijking is afhankelijk van de mate van verstoring

van de ontwikkeling: nonrotatie of incomplete rotatie. Meestal bevindt het

gehele dunnedarmpakket zich rechts in de buik, met het mesenterium als een

smalle steel. Het colon bevindt zich dan vrijwel geheel links in de buik; de positie

van het caecum is variabel.

Klinische bevindingen. De symptomen variëren met de mate van obstructie.

Atresie geeft vergelijkbare symptomen als obstructie van de maaguitgang,

maar dan met gallig braken. Bij incomplete obstructie zijn de symptomen aanvankelijk

vaak minder duidelijk of ontbreken ze geheel. Kinderen met malrotatie

kunnen lang klachtenvrij blijven.

De smalle mesenteriumsteel kan bij malrotatie leiden tot een volvulus van

het gehele dunnedarmpakket met afsnoering van de mesenteriumvaten, waar-

door necrose van de gehele dunne darm kan optreden. Het optreden van een volvulus gebeurt vaak vroeg in het leven: in de eerste levensweek (30%) of de eerste levensmaand (50%). Daarbij vindt men gallig braken, bloederige ontlasting en soms een opgezette

buik. In het eerste stadium van de volvulus is het kind vaak nog vrijwel symptoomloos,

waardoor de diagnose te laat kan worden gesteld. Soms beperken

de klachten zich tot intermitterende buikpijn en wisselend (gallig) spugen. Malabsorptie

kan optreden door wisselend aanwezige, partiële volvulus met veneuze

stuwing en lymfestase.

Diagnostiek. Bij duodenumatresie toont de X-BOZ de typische double bubble. Bij duodenumweb en malrotatie is het röntgenbeeld minder typisch, met ook wat lucht distaal in de darm. Bij vermoeden van malrotatie (gallig spugen) wordt er direkt een echografie van de buik gemaakt om het verloop van de mesenteriale vaten in beeld te brengen. Als deze om elkaar heen lopen (swirl-sign) wijst dit op een volvulus. Als het beeld onduidelijk is dan worden er maag-duodenumfoto’s worden gemaakt, waarbij wordt gelet op het verloop van het duodenum en de ligging van het ligament van Treitz. Bij ernstig ziek zijn en bij tekenen van peritonitis is acute laparotomie aangewezen zonder voorafgaande diagnostiek.

Behandeling. De behandeling is chirurgisch. Bij duodenumatresie wordt een

overloop gemaakt van het proximale, uitgezette duodenum naar distaal (Diamond shaped anastomose). De stenose wordt in situ gelaten omdat zich in het aangedane gebied de papil van Vater en de pancreaskop bevinden. Bij malrotatie worden de Laddse banden gekliefd,

zodat het duodenum niet meer wordt dichtgedrukt, waarna het darmpakket

in ‘nonrotatiepositie’ wordt geplaatst en het mesenterium wordt verbreed.

Een appendectomie wordt bij deze procedure niet meer standaard verricht, dit in tegenstelling tot vroeger. In verband met de opkomst van laparoscopie zal de appendix ook gevonden worden als deze op een andere plek in de buik gelegen is. En ook wordt gedacht dat de appendix toch ook een rol speelt in de afweer.

Dunnedarm afwijkingen

Stenose en atresie. Atresieën maken 95% uit en stenosen 5% van de aangeboren

obstructies van jejunum en ileum. Ze kunnen enkelvoudig en multipel

voorkomen. Ze veroorzaken toenemende voedingsproblemen, gallige retentie

en opgezette buik. Vaak wordt wel (ontkleurd) meconium geproduceerd. De

diagnose kan worden vermoed als de X-BOZ uitgezette darmlissen toont met

vaak één zeer wijde lis. Verder aanvullend onderzoek is niet geïndiceerd. Echter een coloninloop kan wel informatie geven over de aanleg van het colon. Dit deel hoeft dan niet peroperatief meer geheel nagekeken te worden. De behandeling bestaat uit resectie van het uitgezette prestenotische segment en end-to-end-anastomose.

De prognose wordt bepaald door de lengte van de resterende dunne darm. Bij multipele atresieën en als een lang segment ontbreekt, bestaat postoperatief het risico van kortedarmsyndroom. Bij obstructie hoog in het jejunum kan resectie van het uitgezette segment onmogelijk zijn, waardoor zich langdurige postoperatieve passageproblemen kunnen voordoen.

Meconiumileus. Ingedikt meconium kan intraluminale obstructie van het terminale

ileum veroorzaken, wat lokaal tot fibrosering van de ileumwand kan

leiden. Bij een groot deel van de aterme kinderen met meconiumileus is Cystic Fibrosis

de onderliggende oorzaak; andere oorzaken zijn hypothyreoïdie en de ziekte

van Hirschsprung. Bij premature pasgeborenen verloopt de meconiumpassage

vaker moeizaam en kan het niveau van obstructie variëren: van ileum tot colon

descendens.

Meconiumperitonitis. Meconiumperitonitis is een steriele, chemische ontsteking

van het peritoneum als gevolg van door obstructie veroorzaakte prenatale

darmperforatie. De meest voorkomende oorzaken zijn volvulus, atresie en meconiumileus;

ook invaginatie, congenitale strengen, inwendige herniatie, meckeldivertikel

en amnionpunctie kunnen peritonitis veroorzaken. De peritonitis

kan zich beperken tot een meconiumpseudocyste, waarbij de buikholte verder

vrij is, en kan gegeneraliseerd zijn. Als de perforatie prenataal niet door de ontstekingsreactie is afgedekt of spontaan is gesloten, ontstaat na de geboorte

bacteriële peritonitis.

Bij de geboorte uit meconiumperitonitis zich als acute buik met obstructieverschijnselen.

Soms is de buikhuid rood. Binnen enkele uren postnataal

kan een sepsis met shock ontstaan. De X-BOZ laat diffuus uitgezette darmlissen

zien met verdikte wanden en calcificaties die diffuus kunnen voorkomen, in

een halvemaanvorm de wand van een pseudocyste aanduiden of lineair de

darmwand volgen.

Meckel’s divertikel. Het Meckel’s divertikel is een restant van de ductus omphaloentericus,

tussen navel en dunne darm, die tussen de 5e en 7e week van de

zwangerschap behoort te verdwijnen. Het involutieproces kan in het gehele

traject tot restafwijkingen leiden, zoals persisterend navelgranuloom, dat vaak

darmslijmvlies bevat. Als de ductus openblijft, ‘draagt’ de navel met soms de

productie van darminhoud of lucht. Het Meckel’s divertikel heeft normaliter een

vrij uiteinde en bevindt zich in de laatste 100 cm van het ileum. 40 à 50% van de

divertikels bevat ectopisch maagslijmvlies, wat ulceratie en bloedingen kan

veroorzaken. Andere complicaties zijn lokale ontsteking, invaginatie, obstructie

en, als er een streng tussen divertikel en navel is blijven bestaan, herniatie met mogelijk afklemming van de darm.

Duplicatuur. Duplicaturen zijn zeer zeldzaam. Ze kunnen van slokdarm tot colon

voorkomen. Ze bevinden zich aan de mesenteriale zijde van de darm, als

een afgesloten holte of met een verbinding met de darm. Vaak lopen ze parallel

met de darm. De symptomen zijn afhankelijk van lokalisatie en grootte. Duplicaturen

van de slokdarm kunnen symptoomloos zijn of dysfagie, dyspneu of

hemoptoë veroorzaken. Bij intra-abdominaal gelegen duplicaturen zijn passagestoornissen,

volvulus, bloeding (ook chronisch, met ijzergebreksanemie),

perforatie en verplaatsing van blaas en uterus beschreven. Bij onderzoek van

de buik kan een weke massa palpabel zijn. De behandeling bestaat uit resectie.

Als de duplicatuur zich over een grote lengte uitstrekt, kan het lastig zijn om

de normale darm intact te laten.

Mesenteriumcyste, omentumcyste. Cysten in mesenterium en omentum zijn

vrij zeldzaam. Ze zijn uni- of multiloculair en bevatten chylus of sereus vocht.

Meestal zijn ze symptoomloos, maar ze kunnen ook klachten veroorzaken, variërend

van vage buikpijn met wisselend opgezette buik tot obstructieverschijnselen.

Doordat ze mobiel zijn, zijn ze bij lichamelijk onderzoek vaak

moeilijk te voelen. Echografische identificatie is daarentegen gemakkelijk; de

diagnose wordt meestal prenataal gesteld. Een acuut ziektebeeld kan ontstaan

als de cyste een volvulus veroorzaakt of gaat bloeden.

Dikkedarm afwijkingen

Atresie en stenose. Atresieën en stenosen van het colon zijn zeer zeldzaam. Ze

hebben waarschijnlijk een vasculaire oorsprong; soms is een prenatale volvulus de

oorzaak. Bij een atresie in colon ascendens of transversum ontbreekt meestal

een darmsegment met het bijbehorende mesenterium; meer naar distaal leidt

atresie vooral tot fibreuze strengen en membranen. In tegenstelling tot dunnedarmatresieën

zijn colonatresieën wel geassocieerd met andere afwijkingen,

vooral in skelet, ogen, hart en dunne darm. Klinisch ontstaat het beeld van distale

obstructie: opgezette buik, geen meconiumlozing, gallig braken. De diagnose

wordt vermoed op de X-BOZ, die veel uitgezette darmlissen toont. Vrije

lucht duidt op perforatie, een frequent voorkomende complicatie. Meestal is

een coloninloop nodig om het niveau van de obstructie te bepalen. De behandeling

bestaat uit resectie van het atretische of stenotische segment met het

sterk gedilateerde prestenotische segment, gevolgd door end-to-end-anastomose danwel een tijdelijk stoma, indien dat veiliger bevonden wordt op dat moment.

Meconiumplugsyndroom en small left colon syndrome. Door een of meer

‘pluggen’ van ingedikt meconium, meestal rond de flexura lienalis, heeft het

ongebruikte linkercolon zich niet ontwikkeld. Dit komt onder andere voor bij

prematuren en pasgeborenen van moeders met diabetes mellitus. De coloninloop

werkt diagnostisch en vaak ook therapeutisch. Na opheffen van de obstructie

functioneert het distale colon normaal. Een klysma kan de meer distaal

gelegen pluggen mobiliseren.

Ziekte van Hirschsprung. Hierbij bestaat een aanlegstoornis van de innervatie

distaal in het darmkanaal. De ganglia van de plexus van Meissner en Auerbach

ontbreken en afferente en efferente zenuwvezels zijn toegenomen in aantal en

grootte. Het colon heeft een verhoogde rusttonus; de normale propulsieve motiliteit

ontbreekt. Het aangedane segment strekt zich vanaf de anus uit over

variabele afstand naar proximaal. Bij driekwart van de kinderen beperkt de

aandoening zich tot rectum en sigmoïd, bij 10% is het gehele colon agangionair;

in 1% van de gevallen is ook de gehele dunne darm aangedaan.

Klinische verschijnselen. De meest typische bevinding is uitblijven van

de eerste meconiumlozing; bij 95% van de kinderen met de ziekte van Hirschsprung

en slechts 6% van de gezonde aterme pasgeborenen wordt het eerste

meconium meer dan 24 uur (bij prematuren 48 uur) na de geboorte geproduceerd.

Verder zijn er tekenen van distale obstructie. Wordt de aandoening niet

in de neonatale periode herkend, dan ontstaat vrijwel altijd binnen 6 maanden

ernstige obstipatie met forse fecesretentie, ondervoeding en groeiachterstand.

Bij kinderen met niet-herkende ziekte van Hirschsprung kan enterocolitis

optreden met koorts en purulente, explosieve diarree. Dit is een levensbedreigend

ziektebeeld.

Diagnostiek. Het aangewezen onderzoek is rectumzuigbiopt danwel chirurgisch (full thickness biopt). Dit is de gouden standaard. Er worden geen ganglioncellen gezien en in de muscularis mucosa en lamina propria wordt een toename van acetylcholinesterasepositieve

zenuwvezeltjes gevonden. Om de ganglioncellen goed te kunnen zien wordt er aanvullende calretinine kleuring verricht. Bij anorectale manometrie ontbreekt de rectoanale inhibitiereflex (RAIR); fout-positieve uitslagen komen echter vaak voor. De coloninloop kan een nauw distaal segment aantonen. Echter een normale contrastfoto kan Morbus Hirschsprung niet uitsluiten maar helpt bij het verkleinen van de differentiaal diagnose.

Therapie. Decompressie van het colon wordt bereikt door via een dikke

rectumcanule het distale colon te spoelen. Afhankelijk van het resultaat hiervan

en de conditie van het kind kan het verdere beleid worden bepaald. Zo

mogelijk wordt de decompressietherapie gecontinueerd, later gevolgd door

operatie zonder ontlastende colostomie. Verloopt de eerste behandeling moeizamer,

dan wordt eerst ontlastende ileostomie of colostomie verricht in een

darmgedeelte met ganglioncellen. Bij de definitieve operatie wordt het aganglionaire

darmsegment gereseceerd, waarbij men ernaar streeft om zo min mogelijk

aganglionaire darm boven de anus te laten staan. De twee in Nederland ge-

bruikte technieken zijn de duhamelprocedure en de (laparoscopisch geassisteerde)

transanale resectie. Postoperatief blijft het relaxatiepatroon van de

anale sfincter afwijkend, zodat de neiging tot obstipatie blijft bestaan en vaak

blijvend aanvullende laxerende therapie nodig is. Ook kan botox worden gebruikt om relaxatie van de sfincter te geven.

Anorectale malformatie. Anorectale malformatie heeft de oorsprong in de

vroeg-embryonale periode. Onder de anorectale malformaties valt een spectrum

aan afwijkingen met als centrale kenmerk ectopische uitmonding van

het anale kanaal, variërend van een rectoperineale fistel tot hoge anorectale malformatie

met een fistel naar vagina of blaas. Een iets naar anterieur gelegen anus, welke volledig omgeven is door sfincter is geen anorectale malformatie. Het perianale spiercomplex is meestal onderontwikkeld en vaak bestaan er afwijkingen in sacrum en ruggenmerg die

tot neurologische problemen kunnen leiden. De operatieve behandeling hangt af van het type anorectale malformatie.

Rectoperineale- rectovestibulaire fistel. Hierbij mondt de darm via

een anale fistel uit in het perineum danwel het vestibulum van de vagina. Meconium moet soms door een zeer nauwe opening passeren. De behandeling bestaat uit decompressie

en spoelen van het rectum en eventueel oprekken van de fistel. De reconstructie

wordt meestal in één tempo in de neonatale periode verricht.

Rectourethrale-, rectoprostatische- of rectobladderneck fistels bij jongens, danwel de cloacale malformatie, of rectovaginale fistel bij meisjes:. Bij jongens mondt de fistel hierbij uit in urethra of blaas, bij meisjes in vestibulum of vagina. Het perineum is gesloten. Eerst wordt een ontlastend colostoma aangelegd, later gevolgd door een reconstructie. Bij hoge malformaties is altijd antibioticaprofylaxe nodig ter voorkoming van urineweginfecties. De reconstructie bestaat uit Posterieure Sagittale AnoRectale Plastiek (PSARP) danwel een laparoscopisch geassisteerde procedure (LAARP). Voor een cloaca repair kan gekozen worden tussen een Totaal Urogenitale Mobilisatie (TUM) met PSARP, danwel een Posterieur Sagittale Anorectale Vagino Urethrale Plastiek (PSARVUP) . Het ectopisch eindigende anorectale kanaal (de fistel) wordt in het spiercomplex van het perineum gebracht,

met de opening in het centrum van de externe sfincter.

Het functionele resultaat van alle anorectale malformaties wordt mede bepaald door de

geassocieerde afwijkingen aan sacrum (sacrumagenesie) en ruggenmerg (tethered cord) en de verdere ontwikkeling van de bekkenbodem.

Buikwanddefecten

Gastroschisis. Bij gastroschisis (incidentie 1 : 4000) ontstaat tussen de 8e en

11e week van de zwangerschap een defect in de buikwand, variërend in

grootte, altijd rechts naast de navel. De dunne en dikke darm, milt, de maag

en soms de lever liggen daardoor buiten de buik in het vruchtwater. Dit geeft

irritatie, ontsteking en verdikking met verklevingen van de darm. Ook kan er

een atresie of stenose aanwezig zijn. De diagnose wordt meestal antenataal

gesteld. Anders dan omfalokèle gaat gastroschisis niet gepaard met andere

aangeboren afwijkingen. De behandeling bestaat uit het terugbrengen van de

organen in de buik, zo mogelijk met primaire sluiting van het defect. Darmwandaantasting

en verklevingen kunnen langdurig passageproblemen veroorzaken.

Uiteindelijk herstelt de darmfunctie vrijwel altijd volledig.

Omfalocèle. Deze ontstaat door een aanlegstoornis vroeg in de zwangerschap.

Via de navelstreng stulpen de ingewanden naar buiten. Anders dan bij gastroschisis,

zijn ze omgeven door een vlies. De grootte van de uitstulping kan variëren

van een paar cm tot meer dan tien cm (‘giant omphalocele’). In het laatste

geval bevat de cèle niet alleen darm, maar ook maag, lever en andere organen.

Omfalocèles komen voor bij ongeveer 1 : 3000 pasgeborenen, vaker bij jongens

dan bij meisjes. Ongeveer twee derde van de kinderen heeft daarnaast

aangeboren afwijkingen op cardiovasculair, renaal of cerebraal gebied. Er is

een associatie met syndromen als het Beckwith-Wiedemann syndroom en met

enkele chromosoomafwijkingen, waaronder trisomie 13 en 18. De diagnose

wordt vaak antenataal gesteld. De problematiek wordt meer bepaald door de

bijkomende afwijkingen dan door de omfalocèle zelf. Uitzondering is de Giant omfalocèle,

waarvan de behandeling met complicaties gepaard kan gaan zoals longhypoplasie.

Behandeling. Kleine omfalocèles kunnen direct worden gesloten. Giant omfalocèles

worden conservatief behandeld: lokale verzorging tot de breukzak volledig wordt overgroeid door huid, en waarbij de darmen geleidelijk hun positie in de buikholte innemen. Alleen bij ruptuur van het vlies is acute sluiting nodig om infectie te voorkomen. Na ongeveer 6 mnd tot 2 jaar wordt het buikwanddefect gesloten. Daarvoor wordt vaak primair gesloten en soms is een ramirezplastiek nodig , waarbij de spierlagen van de buikwand van elkaar worden losgemaakt, zodat het buikwanddefect geheel met spierweefsel kan worden gesloten.

Literatuur

Carachi R (red). Neonatal surgery. The care of the surgical neonate. Sem Pediatr Surg

2008;17:219-96.

Kelly KB, Ponsky TA. Pediatric abdominal wall defects. Surg Clin N Am 2013;93:1255-67.

Levitt MA, Peña A (red). Advances in pediatric colorectal surgery. Sem Pediatr Surg

2010;19:79-168.

Pierro A (red). Oesophageal atresia. Sem Pediatr Surg 2009;18:1-62.

Hoofdstuk 15 : Aangeboren afwijkingen

139

Solomon BD. VACTERL/VATER Association. Orphanet J Rare Dis 2011;6:56.

Stern LE, Warner BW. Gastrointestinal duplications. Semin Pediatr Surg 2000;9:135-40.

Teitelbaum DH (red). Hirschsprung disease and related conditions. Sem Pediatr Surg

2012;21:281-370.

Zorgstandaard Ziekte van Hirschsprung | Zicht op Zeldzaam

Kwaliteitsstandaard Anorectale Malformatie

Oesofagusatresie Kwaliteitsstandaard | Zicht op Zeldzaam

n3_aanbevelingen_2019_buikwanddefecten.pdf