Magnetic Resonance Imaging (MRI)

MRI is zeer waardevol voor het aantonen van traumatische afwijkingen in weke delen, zoals synovium, kraakbeen, ligamenten en beenmerg, en daarnaast met name het opsporen van inflammatie in bijvoorbeeld spieren zoals bij juveniele dermatomyositis. Daarnaast is MRI zeer geschikt voor het beoordelen van beenmerg oedeem, en daarmee essentieel voor de diagnose CNO (Chronische Non-bacteriële Osteomyelitis)

MRI is van grote waarde bij het diagnosticeren en stageren van inflammatoire gewrichtsafwijkingen en bij de evaluatie van de behandeling. Hierbij is toediening van contrastmiddel (gadolineum) essentieel. Ook heeft onderzoek aangetoond dat botschade, in de vorm van erosies, eerder zichtbaar is op MRI dan op röntgenfoto’s. Het is soms lastig om te differentiëren tussen erosies en met MRI vastgestelde afwijkingen in de cortex bij groeiende kinderen. Net als bij echografie is dus expertise nodig om tot betrouwbare uitspraken te komen.

Zeldzame benigne of maligne tumoren in en rondom de gewrichten, zoals pigmentvillonodulaire synovitis (PVNS), tumoren van het bewegingsapparaat of beenmergmanifestaties van maligniteiten kunnen ook met MRI worden aangetoond of uitgesloten.

Nadelen van de MRI zijn de beperkte beschikbaarheid, de relatief hoge kosten en de noodzaak langdurig stil te liggen tijdens het onderzoek om bewegingsartefacten te voorkomen. Daarom is het bij kinderen jonger dan 8 jaar over het algemeen wel algehele anesthesie nodig. Het aanbrengen van een infuus en toedienen van contrastmiddel zijn ook een nadeel. Voor MRI onderzoek van de knie is echter recent aangetoond dat bepaalde MRI sequenties toediening van contrast overbodig maken. Voor andere gewrichten is dit nog onvoldoende uitgezocht.

Hier figuur 1.4-1 invoegen

Figuur 1.4-1.

MRI van de knie van een 12 jarig meisje met oligo-extended JIA. Figuur A. toont duidelijke synoviale hypertrofie (pijlen) in de suprapatellaire recessus en rond de kruisbanden via een T1-gewogen sagittale opname vóór toediening van intraveneus contrast. Figuur B. een T1-gewogen sagittale opname ná toediening van intraveneus contrast en Figuur C. een transversale T1-gewogen opname met vetonderdrukking na toediening van intraveneus contrast. Verder valt op dat de synoviale hypertrofie duidelijker zichtbaar is na toediening van intraveneus contrast (A. vs. B. en C.). (met dank aan Robert Hemke, skeletradioloog Amsterdam UMC).