Complement

Het complement systeem is een belangrijk systeem van eiwitten, met een sterke antimicrobiële werking, dat een centrale rol speelt in de afweer tegen infecties. Het omvat ongeveer 30 plasma eiwitten, waarvan het grootste gedeelte in de lever wordt gesynthetiseerd. Complement activatie kan op drie manieren gebeuren: via de klassieke route, de mannosebindend-lectine route en de alternatieve route. Deze drie routes hebben ieder hun eigen trigger nodig om geactiveerd te worden. Voor de klassieke route zijn dit antistof-antigeencomplexen (IgG en IgM), voor de lectine route micro-organismen met mannose op het oppervlak en voor de alternatieve route zijn dit pathogene oppervlakten van bacteriën en andere micro-organismen. Na activatie wordt een cascade in gang gezet waarin biologisch actieve componenten ontstaan die uiteindelijk een rol spelen in de afweer tegen binnendringende micro-organismen.

In het laboratorium kan de (resterende) activiteit van de verschillende complement routes gemeten worden alsook de circulerende hoeveelheid van afzonderlijke complement factoren in het bloed. De functionele bepalingen, ook wel de CH50- en AP50-bepaling genoemd voor respectievelijk de klassieke en alternatieve route, zijn gebaseerd op lysis van erytrocyten door het complementsysteem in vitro. De mate van erytrocytenlysis kan hierbij bepaald worden en is indicatief voor de functionele activiteit. Tegenwoordig worden vooral enzyme-linked immunosorbent assays (ELISA) gebruikt om de functionele activiteit van de drie verschillende routes te testen. De circulerende hoeveelheid complement factoren worden veelal ook op een ELISA-gebaseerd principe bepaald.

Bij systemische auto-immuunziekten is de activiteit van de klassieke route van het complementsysteem vaak verhoogd. Dit is gerelateerd aan de antistoffen die in grote mate geproduceerd worden. Verlaagde activiteiten van de klassieke route en van de complementfactoren C3 en C4 kunnen passen bij complementverbruik. Bij SLE kan complementverbruik, met lage serumspiegels van C3 en C4, wijzen op exacerbatie van de ziekte, bijvoorbeeld in het geval van nefritis. Ook bij systemische vasculitiden wordt dit fenomeen gezien.

Verhoogde complementfactorconcentraties hebben geen specifieke betekenis, maar wijzen, net als verhoogd IgG, op een acute fase respons. Deficiënties in de componenten van de klassieke route veroorzaken verstoorde klaring van immuuncomplexen en een defect in het opruimen van apoptotisch materiaal, wat kan resulteren in systemische auto-immuun ziekten. Deficiënties van de complementfactoren C1q, C4 en C2 bijvoorbeeld verhogen het risico op auto-immuunziekten en in het bijzonder op SLE. Deficiënties in de componenten van de alternatieve route en de terminale route van de cascade, welke gelijk is voor alle drie de routes en resulteert in het ‘membrane attack complex’, kunnen leiden tot ernstige recidiverende infecties of specifieke glomerulonefritiden. Deficiëntie van MBL komt vaak voor zonder dat dit met een specifieke afwijking geassocieerd is. Verlaagde MBL-spiegels komen voor bij ongeveer 30% van de blanke bevolking; bij circa 5% is MBL afwezig. Bij kinderen en bij patiënten met een verzwakt immuunsysteem kan een MBL deficiëntie geassocieerd zijn met een verhoogde kans op infecties.