Antinucleaire antistoffen*
Bij systemische auto-immuunziekten worden vaak antinucleaire antistoffen (ANA) in het serum aangetroffen. ANA zijn autoantistoffen gericht tegen verscheidene componenten van de celkern. Vaak is er een relatie tussen het type ANA en de systemische auto-immuunziekten. Echter kent een positieve ANA een brede differentiaal diagnose en kunnen deze antistoffen ook worden gevonden bij infectieuze aandoeningen, maligniteiten, gebruik van bepaalde medicatie en bij gezonde personen. Een hoge ANA-titer heeft doorgaans meer klinische relevantie dan een lage ANA-titer, dat wil zeggen: een hogere specificiteit voor systemische auto-immuunziekten. ANA zijn meestal aanwezig bij Systemische Lupus Erythematosus (SLE) en Mixed Connective Tissue Disease (MCTD) in kinderen, maar ook bij jeugdreuma (juveniele idiopathische artritis, JIA) wordt geregeld een positieve ANA gezien. Een positieve ANA bij JIA wordt beschouwd als een risicofactor voor het ontwikkelen van een uveïtis en bepaalt de intensiteit van de oogheelkundige controles. In Tabel 1.3-2 is een overzicht weergegeven van de prevalentie van ANA bij de verschillende systemische auto-immuunziekten alsook bij andere condities.
Om de aanwezigheid van antinucleaire antistoffen vast te stellen wordt gebruik gemaakt van een indirecte immuunfluorescentie (IIF) techniek, de zogenoemde HEp-2 IIF test. Tijdens deze ANA test wordt serum van de patiënt aangebracht op een objectglaasje waarop gefixeerde humane epitheliale cellen (HEp) gehecht zijn. Wanneer er antistoffen aanwezig zijn in het serum, zal dit een bepaald fluorescentiepatroon opleveren welke te zien is onder de microscoop. Bij de ANA test kunnen verschillende fluorescentiepatronen gevonden worden die een indicatie geven voor de antigene specificiteit van de aanwezige antistoffen. In de Nederlandse richtlijn voor laboratoriumdiagnostiek van met ANA-geassocieerde auto-immuunziekten is opgenomen dat alleen in het geval van een nucleaire aankleuring de uitslag als ANA positief gerapporteerd mag worden; immers ANA staat voor antinucleaire antistoffen. Cytoplasmatische en mitotische patronen zijn in strikte zin ANA negatief, echter deze kunnen wel klinische relevantie hebben en richting geven aan de mogelijk aanwezige antistoffen en daarmee geassocieerde auto-immuunziekten.
Tabel 1.3-2. De prevalentie van ANA bij auto-immuunziekten, infecties, maligniteiten en gezonde kinderen*
| ANA positiviteit | |
|---|---|
|
Auto-immuunziekten, systemisch SLE |
97-100% >99% >97% 85% 81-97% 39% / 70-80% 40-63% |
| Auto-immuunziekten, orgaanspecifiek Auto-immuun hepatitis Auto-immuun schildklierziekten1 |
44-62% 35-45% |
| Infecties EBV2 HIV1 TBC1 |
44-66% 21-23% 24-33% |
| Maligniteiten Non-Hodgkin lymfoom1 |
26% |
| Gezonde personen Kinderen Volwassenen1 |
5-18% 5-32% |
De getallen zijn afkomstig van studies bij kinderen, tenzij anders aangegeven.
1Volwassenen studies, 2Kinder/volwassenen studies
EBV Epstein Barr Virus; HIV Humaan Immunodeficiëntie Virus; JDM Juveniele Dermatomyositis; JIA Juveniele Idiopathische Artritis; LE lupus erythematosus; MCTD Mixed Connective Tissue Disease; SLE Systemische Lupus Erythematosus; TBC Tuberculose