Aandachtspunten anamnese

Bij kinderen met verdenking op een vorm van JIA is de duur van de klachten van belang. Per definitie spreekt men van JIA wanneer op de kinderleeftijd (tot 16 jaar) artritis -in minimaal één en hetzelfde gewricht minstens 6 weken aanhoudt en er geen andere verklaring voor de artritis kan worden aangetoond. Voor de differentiaal diagnostiek van JIA is het is belangrijk om mogelijk uitlokkende factoren van de artritis te achterhalen. Hiervoor wordt gevraagd naar voorafgaande infecties (verkoudheid, keelontsteking, diarree), tekenbeet, vaccinaties, buitenlandse reizen en trauma. Ook het voorkomen van auto-immuunziekten in de familie zoals reumatoïde artritis, spondylartropathie, ziekte van Bechterew, psoriasis, systemische lupus erythematodus (SLE), ziekte van Sjögren, inflammatoire darmziekten, diabetes mellitus type I, schildklierziekten (ziekte van Graves, ziekte van Hashimoto), vitiligo, alopecia, coeliakie, sarcoidose, etc., kan een aanknopingspunt vormen.

Bij de tractus anamnese vraagt men naast groei en ontwikkeling naar malaise, vermoeidheid, gewichtsverlies, nachtelijk zweten, koorts (en indien aanwezig koortspatroon), huidafwijkingen, zonlichtovergevoeligheid, oogklachten (conjunctivitis, uveitis), sicca klachten, haaruitval of alopecia, orale slijmvlieslaesies, slikklachten, buik of defecatie klachten, mictieklachten, en mogelijke tekenen van ziekte van Raynaud.

Pijn staat bij JIA vaak niet op de voorgrond. Met name jonge kinderen geven niet altijd pijn aan, maar tonen veranderingen in gedrag door bijvoorbeeld terug te gaan naar een vorige motorische ontwikkelingsfase: ze beginnen weer te kruipen of op hun billen te schuiven. Ook melden ouders soms een veranderd bewegingspatroon: kinderen willen een hand niet gebruiken, huilen bij aan- of uitkleden, kunnen een elleboog niet meer strekken of gaan mank lopen. Bij sommige (jonge) kinderen ontdekken de ouders zwelling van een vinger, knie of enkel min of meer bij toeval tijdens het aankleden of bij het in bad doen. Ochtendstijfheid en stijfheid na lang in dezelfde houding zitten zijn vaak gehoorde klachten bij reumatische aandoeningen. De variatie van gewrichtsklachten over de dag kan helpen bij het stellen van de diagnose. Gewrichtspijn ten gevolge van artritis bij JIA is meestal het meest uitgesproken aan het begin van de dag en verbetert vaak tijdelijk in de loop van de dag of bij bewegen, en neemt aan het eind van de dag weer toe.

Sommige kinderen met JIA zijn wat sneller vermoeid of meer prikkelbaar, en kunnen zich minder goed concentreren op school.

Gewrichtspijn ten gevolge van trauma of andere mechanische oorzaken is ’s morgens milder en neemt vooral toe tijdens of na belasten, rust doet de pijn weer afnemen. Groeipijnen ontstaan vooral aan het eind van de dag, ’s avonds of ’s nachts en zijn de volgende dag volledig verdwenen.

Maligniteiten (leukemie, lymfoom, neuroblastoom, bottumor) kunnen leiden tot nachtelijke pijn (in bot, rug, gewrichten), en het kind klaagt daarnaast meestal ook over aanhoudende pijn overdag. Lokale, aanhoudende en in de tijd toenemende pijn en/of zwelling van een gewricht zijn alarmsignalen. Malaise, vermoeidheid, (laaggradige / onverklaarde) koorts, gewichtsverlies en huidsymptomen (bij leukemie) zijn bij maligniteiten veel gehoorde klachten.

Aanhoudende gewrichtsklachten kunnen ook veroorzaakt worden door lokale of systemische hypermobiliteit van gewrichten. Hieraan kan worden gedacht wanneer in de anamnese sprake is van een vertraagde motorische ontwikkeling, motorische onhandigheid (vaak struikelen), vermoeidheid, “knakkende” gewrichten, makkelijk verzwikken met name van enkels, (sub)luxaties (vingers, patella, schouder), gestoorde wondgenezing en het voorkomen van hypermobiliteit spectrum aandoeningen of Ehlers Danlos in de familie. Naast pijn in spieren en gewrichten kunnen ook episodes met gewrichtszwelling of systemische klachten voorkomen bij hypermobiliteit spectrum aandoeningen, zoals buikklachten, blaasklachten en tekenen van dysautonomie. Tabel 1.1-1 en Tabel 1.1-2 geven een overzicht van de anamnestische gegevens die richting geven aan en soms discriminerend kunnen zijn bij het stellen van de waarschijnlijkheidsdiagnose.

TABEL 1.1-2 graag hier invoegen.