Behandeling
Voor de behandeling van een neonatale hypoglycemie (neonaat ≤48 uur) wordt verwezen naar de richtlijn postnatale zorg in de algemene kindergeneeskunde (link).
Voor de behandeling van een hypoglycemie bij een neonaat >48 uur en kinderen, kan onderstaande tabel gebruikt worden.
Tabel 5. Algemene behandeladviezen voor hypoglycemie
| 1. Initiële behandeling hypoglycemie | |||
|---|---|---|---|
| Situatie: | Behandeling: | ||
| Bij intact bewustzijn en indien orale intake mogelijk is |
Geef snelwerkende suikers (dextrose, fantomalt-oplossing, siroop): 0,3-0,5 g glucose per kg lichaamsgewicht met een maximum van 12 of 20 gram glucose, bijvoorbeeld: – Niet-suikervrije limonadesiroop (puur) 1 ml/kg (max 40 ml) – Dextrosetabletten: aantal = kg/6 (max 7) – Glucose 10% 5 ml/kg (max 200 ml) In neonaten met een asymptomatische hypoglycemie, kunnen de volgende voedingsinterventies overwogen worden: – Frequenter aanleggen bij borstvoeding en bijvoeden met afgekolfde moedermelk – Indien beschikbaar, buccale dextrose-gel (200 mg/kg 40% dextrose-gel) – Bijvoeden met kunstvoeding (minimaal 5 ml/kg/keer), eventueel per sonde als het kind onvoldoende zelf drinkt, maar de voeding wel tolereert. |
||
| Gedaald bewustzijn met IV toegang en/of indien orale intake niet mogelijk is |
Niets per os aanbieden! Bolus glucose 10% 3 ml/kg in 2-3 minuten, gevolgd door leeftijds-adequate continue infusie (zie onder) |
||
| Gedaald bewustzijn zonder IV toegang en/of indien orale intake niet mogelijk is |
Niets per os aanbieden! Geef glucagon IM of SC – < 25 kg 0,5 mg – ≥ 25 kg 1,0 mg – > 4 jaar eventueel 3 mg nasaal (=glucagon neuspoeder) |
||
| 2. Vervolgbehandeling preventie rebound hypoglycemie | |||
|
Vervolgstap: controleer na 15 minuten de bloedglucosewaarde.
|
|||
|
Leeftijd (jaar) |
Glucose-behoefte (mg/kg/min) |
Glucose 10% (ml/kg/uur) |
|
| 0 – 1 | 8 – 10 | 4,8 – 6,0 | |
| 1 – 2 | 7 – 8 | 4,2 – 4,8 | |
| 3 – 5 | 6 – 7 | 3,6 – 4,2 | |
| 6 – 9 | 4 – 6 | 2,4 – 3,6 | |
| > 10 | 2 – 4 | 1,2 – 2,4 | |
PM: glucagon is niet effectief bij kinderen die een defect in het glycogeenmetabolisme hebben.