Definitie en normaalwaarden
Definitie hypercalciëmie: een verhoging van (geïoniseerd) calcium in het bloed tot boven de bovengrens van het referentie-interval. In afwezigheid van hypo-albuminemie en factoren die de eiwitbinding beïnvloeden kan totaal calcium gebruikt worden als indicator voor geïoniseerd calcium. Eiwitbinding van calcium wordt positief beïnvloed door de pH; een snelle verandering van pH zal dus gepaard gaan met een (tijdelijke) verandering in geïoniseerd calcium.
Tabel 1. Leeftijdsspecifieke grenzen geïoniseerd en totaal calcium*
| Leeftijd | Geïoniseerd calcium (mmol/L) | Totaal calcium (mmol/L) |
|---|---|---|
| 1 maand | 1.29 – 1.52 | 2.32 – 2.69 |
| 2 maanden | 1.22 – 1.48 | 2.37 – 2.72 |
| 3 maanden | 1.30 – 1.49 | 2.32 – 2.76 |
| 6 maanden | 1.16 – 1.42 | 2.32 – 2.71 |
| 9 maanden | 1.26 – 1.43 | 2.18 – 2.65 |
| 1 jaar | 1.24 – 1.39 | 2.25 – 2.65 |
| 1 – 18 jaar | 1.19 – 1.33 | 2.29 – 2.63 |
*De normaalwaarden kunnen verschillen tussen laboratoria
Het referentiegebied van zowel totaal calcium als geïoniseerd calcium zijn leeftijdsafhankelijk. Het geïoniseerd calcium van pasgeborenen is hoger dan dat van kinderen en volwassenen. Het daalt direct na geboorte met herstel in de dagen erna. Vanaf dag 4 na geboorte is het geïoniseerd calcium relatief hoog en daalt in de eerste 24 maanden tot waarden die vergelijkbaar zijn met volwassenen. Het totaal calcium is eveneens laag direct na geboorte en stijgt vervolgens in de eerste weken tot boven de referentiewaarden voor volwassenen. In de rest van het eerste levensjaar daalt het vervolgens enigszins waarna het stabiliseert op een niveau iets boven dat van volwassenen. Pas aan het einde van de puberteit daalt het totaal calcium tot de waarden van volwassenen.
De ernst van de hypercalciëmie kan worden ingedeeld in:
-
Mild: totaal calcium > 2.6, maar < 3,0 mmol/L, veelal asymptomatisch
-
Matig: totaal calcium 3,0 – 3,5 mmol/L
-
Ernstig: totaal calcium > 3,5 mmol/L