Verdieping

Fysiologie

Een lage calciumconcentratie leidt tot toename van de PTH-secretie, met toegenomen renale omzetting van 25-hydroxyvitamine D in 1,25-dihydroxyvitamine D als gevolg. Dat leidt tot toename van de calcium- en fosfaatopname in de darm, afname van de calciumexcretie en toename van de fosfaatexcretie in de urine en toename van de resorptie van calcium en fosfaat uit bot.

Figuur 2. Fysiologie bij hypocalciëmie

Serum calcium is na de neonatale periode vrij stabiel gedurende het leven (tussen de 2,2 en 2,6 mmol/l). In het plasma zijn drie fracties van calcium: geïoniseerd calcium (ongeveer 50 %), gebonden aan albumine (ongeveer 40%), en gebonden aan andere moleculen (ongeveer 10%). Parathyreoïd hormoon (PTH) is het belangrijkste regulerende hormoon van serum calcium. Daarnaast spelen de “Calcium-sensing receptor” (CaSR) en het actieve vitamine D, 1,25 dihydroxyvitamine D (1,25 diOH-vitD), een belangrijke rol. Bij hypocalciëmie volgt afgifte van PTH door de bijschildklieren, dat door de actie op osteoclasten de botresorptie stimuleert en in de niertubuli zorgt voor een toename van de calcium terugresorptie (zie Figuur 2). PTH stimuleert het renale 1α hydroxylase wat resulteert in een toegenomen synthese van 1,25 diOH-vitD. Het actieve vitamine D zorgt voor een toename van de intestinale calcium absorptie. Ook de CaSR in de renale tubuli zorgen voor een stijging van de renale terugresorptie van calcium. 

Voldoende magnesium is belangrijk voor de CaSR functie in de bijschildklier. Hypomagnesiëmie(< 0,50 mmol/l) kan de oorzaak zijn van de hypocalciëmie, doordat het resistentie tegen PTH veroorzaakt en doordat het de PTH secretie vermindert.