Verdieping
Fysiologie
Voor het normaal functioneren van lichaamscellen is het belangrijk dat de osmolaliteit van het extracellulaire volume binnen nauwkeurige begrenzen wordt gehouden. Normaal gesproken ligt de plasma osmolaliteit tussen 282 en 295 mmol/kg water. De osmolaliteit kan als volgt worden geschat: Osmolaliteit = 2x Natrium + Glucose + Ureum. Bij normale waardes van glucose en ureum is Natrium getalsmatig de belangrijkste factor voor osmolaliteit, en veranderingen van osmolaliteit zijn doorgaans herkenbaar als hypo- of hypernatriemie.
De extracellulaire osmolaliteit wordt voornamelijk geregeld door de waterbalans: de intake en excretie van water. Verhoogde waterintake en/of retentie van water leiden tot een verlaagde osmolaliteit en hyponatriemie. Onvoldoende waterintake en/of verhoogde waterexcretie leiden tot een verhoging van de osmolaliteit en hypernatriemie.
De plasma osmolaliteit wordt met name geregeld door het dorstgevoel en door het antidiuretisch hormoon (ADH). Een verhoogde plasma osmolaliteit leidt tot versterkte afgifte van ADH, dat in de nieren voor retentie van water zorgt. Daarnaast zal door toename van het dorstgevoel een verhoogde waterintake worden bewerkstelligd. Beide mechanismen resulteren in een afname van de plasma osmolaliteit. Een verlaagde plasma osmolaliteit heeft daarentegen een verminderde afgifte van ADH en een afname van het dorstgevoel tot gevolg.
Figuur 2. Relatie tussen plasma osmolaliteit en urine osmolaliteit

Afkortingen: SIADH: Syndroom van Inadequate Secretie van Antidiuretisch Hormoon
Epidemiologie
Huisartsen en kinderartsen krijgen regelmatig vragen over polyurie en polydipsie. De incidentie en prevalentie van deze klachten is niet bekend.