BRMO
Micro-organismen die resistent zijn tegen de eerste keuze-antibiotica of tegen meerdere groepen antibiotica en die zonder aanvullende maatregelen tot verspreiding kunnen leiden worden ‘Bijzonder Resistente Micro-Organismen (BRMO)’ genoemd. De SRI heeft criteria opgesteld wanneer een micro-organisme een BRMO wordt genoemd. Hieronder worden de verschillende BRMO’s benoemd.
- MRSA – Meticilline-resistente Staphylococcus aureus
Dit is een beta-lactam (o.a. flucloxacilline en cefuroxim) ongevoelige variant van de bacterie Staphylococcus aureus. Bij infecties waarbij S. aureus en rol zou kunnen spelen worden de antibiotica flucloxacilline of cefuroxim empirisch ingezet, welke bij MRSA dus geen werkzaamheid hebben. Er bestaat zowel dragerschap als infectie door MRSA. Transmissie vindt plaats door direct huidcontact, maar ook via huidschilfers of via niezen. In Nederland is de prevalentie van MRSA binnen S. aureus laag, en was tussen 2019 en 2023 rond de 3% (NethMap, 2024; Soeverein, 2016; Weterings, 2019; Bode, 2011). In Nederland wordt dit bijgehouden in de ISIS-AR database (Infectieziekten Surveillance Informatie Systeem – Antibiotica Resistentie), een systeem waaraan groot aantal van de Nederlandse medisch microbiologische laboratoria gegevens verstrekt. Het lage percentage MRSA is met name te danken aan het zogenaamde Nederlandse ‘search and destroy’ (S&D) beleid. Dit beleid houdt in het actief screenen en isoleren van hoog risicogroepen en bekende MRSA positieve patiënten, reinigen en desinfectie van de omgeving waar de patiënt is verbleven en behandeling van dragerschap van MRSA. Door de lage prevalentie in Nederland kan de empirische therapie nog steeds met flucloxacilline of cephalosporinen ingezet worden.
- ESBL – Extended spectrum beta-lactamase
Een ESBL is een enzym dat bepaalde soorten antibiotica (bijvoorbeeld cefalosporines) kan afbreken. Dit zijn antibiotica die veelal als empirische therapie worden ingezet. Gram-negatieve bacteriën, zoals de darmbacterie Escherichia coli, kunnen een dergelijk ESBL enzym bezitten. Er bestaat zowel dragerschap als infectie door ESBL positieve bacteriën. Transmissie van ESBL positieve bacteriën in een zorginstelling vindt plaats door direct contact. De prevalentie van ESBL-producerende Enterobacterales (de orde waaronder E. coli valt) ligt onder de 10% (Verelst, 2022). Tussen 2019 en 2023 bleef dit stabiel (NethMap, 2024). Ook hier geldt dat door de lage ESBL prevalentie de huidige empirische therapie met cephalosporinen nog ingezet kan worden.
- CPE – carbapenem resistente of carbapenemase producerende Enterobacterales
De orde van Enterobacterales bestaat uit meerdere Gram-negatieve bacteriën samen. Onder andere de E. coli, Klebsiella en Proteus bacterie horen in deze orde. Deze bacteriën kunnen bepaalde genen (zoals OXA, NDM, KPC) bevatten die coderen voor enzymen die de ‘reserve’ carbapenem antibiotica (zoals meropenem en imipenem) afbreken. Daardoor zijn deze bacteriën resistent tegen deze antibiotica. In Nederland komen anno 2023 carbapenemase-producerende Gram-negatieve bacteriën niet vaak voor. Minder dan 1% van de stammen is carbapenem resistent (NethMap 2024). Als carbapenem resistentie voorkomt, is dit met name bij de Enterobacterales, en wel bij Klebsiella-species, E. coli en Enterobacter-species. Er bestaat zowel dragerschap als infectie door carbapenemase-producerende Enterobacterales (CPE). Antibiotica van de carbapenem categorie zijn antibiotica die worden ingezet om een patiënt met een ESBL infectie te behandelen, echter als de bacterie een carbapenemase gen heeft, dan zijn ook deze reservemiddelen niet meer werkzaam. De mogelijke behandelopties zijn dan zeer beperkt geworden. Transmissie vindt plaats door direct contact.
- Pseudomonas aeruginosa BRMO
Deze Gram-negatieve bacterie is een bekend nosocomiaal pathogeen. P. aeruginosa is intrinsiek resistent tegen een aantal antibiotica, maar ook kan resistentie makkelijk optreden. P. aeruginosa wordt een BRMO genoemd als er sprake is van resistentie tegen 3 groepen antibiotica tegelijkertijd waar P. aeruginosa normaliter wel gevoelig voor is (ceftazidime, piperacilline, fluorquinolonen bijvoorbeeld ciproxin, aminoglycosiden bijvoorbeeld gentamicine, carbapenems). Ook kunnen P. aeruginosa een carbapenemase-gen bevatten dat carbapenem antibiotica afbreekt waarmee deze P. aeruginosa een BRMO wordt genoemd. Het meest gevonden carbapenemase-gen in P. aeruginosa is momenteel het zogenaamde NDM-1 gen (tot 2021 was dit VIM [Verona integron-encoded metallo-β-lactamase]). In 2023 was het percentage van P. aeruginosa dat resistent was tegen carbapenem antibiotica 5% (NethMap 2024). Op de Nederlandse Intensive Care afdelingen (IC’s) was dit percentage hoger; 8% (NethMap 2024). Er bestaat zowel dragerschap als infectie door P. aeruginosa. Transmissie vindt plaats via handen, via (vochtige) omgeving of materiaal dat niet goed gereinigd en of gedesinfecteerd is. Ook hiervoor geldt dat voor een P. aeruginosa dat een carbapenemase gen bevat zeer weinig behandelopties over zijn.
- VRE – vancomycine en amoxicilline resistente Enterococcus faecium
Enterococcen zijn Gram-positieve bacteriën die in de darm voorkomen. Indien deze bacteriën een gen bevatten coderend voor vancomycine resistentie (zoals een vanA gen), wordt de bacterie resistent voor vancomycine. Er bestaat zowel dragerschap als infectie door VRE. Transmissie vindt plaats via direct contact of via handen die in aanraking zijn geweest met de patiënt of diens omgeving. De prevalentie van VRE is niet exact bekend. Het aantal ziekenhuisuitbraken met VRE is tussen 2020 en 2023 gelijk gebleven, maar is lager dan in 2019. De verwachting is dat dit komt door de COVID-19 pandemie.
E. faecium is in tegenstelling tot E. faecalis, al resistent voor amoxicilline. Als de E. faecium ook een gen bevat wat codeert voor vancomycine resistentie zijn de behandelopties zeer beperkt geworden want en amoxicilline en vancomycine zijn niet meer mogelijk (NethMap 2024).
- Overige BRMO
Door de SRI worden nog enkele micro-organismen aangemerkt als BRMO. Voor meer informatie over deze BRMO’s kan de SRI-richtlijn BRMO geraadpleegd worden; www.sri-richtlijnen.nl/brmo.
- Enterobacteriaceae resistent voor fluorquinolonen, aminoglycosiden en co-trimoxazol
- Acinetobacter species, carbapenemase positief
- Candida auris, ongeacht resistentie. Candida auris is een eencellige schimmel soort, behorend tot de gisten. Bij infecties is deze gist zeer moeilijk te behandelen door intrinsieke resistentie. Er bestaat zowel dragerschap als infectie door C. auris. Het Nederlandse infectiepreventie beleid is erop gericht om met behulp van de S&D strategie C. auris prevalentie zeer laag te houden.